Deelondernemen: werknemerschap en ondernemerschap combineren

In Nederland, maar ook daarbuiten, zijn er enorm veel mensen die wel willen ondernemen, maar toch de stap niet zetten. De redenen daarvoor zijn vaak heel logisch: met een huis, gezin of andere verplichtingen heb je behoefte aan een vast inkomen, en dat is zeker voor startende ondernemers niet gegarandeerd.

Hoe mooi is het dan als je mee kunt ondernemen in het bedrijf waar je werkt. En bijvoorbeeld 60% van je ‘waarde’ krijgt in de vorm van een salaris, inclusief vakantiegeld en pensioenopbouw, en 40% gebruikt om jouw belang in dat bedrijf op te bouwen. Elke andere verhouding kan natuurlijk ook. Als je net bent afgestudeerd, nog weinig verplichtingen hebt, of juist in de loop van je carriere een aantrekkelijke exit wilt maken, dan kan dit heel interessant zijn.

Deelondernemerschap

Aantrekkelijkheid voor ondernemers

Zeker voor ondernemers met kleinere bedrijven moet het aantrekkelijk zijn om dit soort medewerkers in dienst te nemen of het dienstverband te wijzigen: je verlaagt je vaste lasten, medewerkers worden meer betrokken en vertrekken minder snel, en je speelt groeikapitaal vrij. In ruil daarvoor lever je wat van je exit-winst in, of je ziet dit als een geleidelijke bedrijfsoverdracht.

Dat is nu ook mogelijk, maar veel ondernemers schrikken terug voor het gedoe, want werken met aandelen of certificaten geeft kosten:

  • De juridische structuur moet opgezet of aangepast worden;
  • Bij aandelen krijgen medewerkers ook zeggenschap, dat moet je met een aandeelhoudersovereenkomst afbakenen;
  • Bij het belonen in de vorm van aandelen of certificaten moet je direct met de fiscus afrekenen, of gebruik maken van opties.
  • Zodra een medewerker meer dan 5% van de aandelen of certificaten heeft, is deze aanmerkelijk belang houder, en moet je een minimum DGA salaris aanhouden. Met name voor jonge medewerkers is dat vaak aan de hoge kant.

Winstdelen als basis voor deelondernemen

In de afgelopen jaren heb ik gewerkt aan het concept van Winstdelen, wat nu bij diverse bedrijven in gebruik is. Winstdelen zijn een soort contractueel geregelde aandelen zonder zeggenschap. Ze zijn vergelijkbaar met een Stock Appreciation Right, maar dan zonder vaste looptijd en met tussentijdse uitkeringen. Voor de werkgever en werknemer zijn ze heel aantrekkelijk:

  • Je kunt winstdelen uitgeven zonder tussenkomst van de notaris, en door het hele jaar heen, bijvoorbeeld als aanvulling op een (lager) salaris;
  • Als jij als ondernemer besluit om dividend uit te keren, krijgen de deelnemers aan de regeling ook een stukje van het dividend.
  • Als jij besluit om het bedrijf te verkopen, krijgen de deelnemers een deel van de opbrengt, afhankelijk van hun aantal winstdelen.
  • Bij toekennen van de winstdelen betaal je geen belasting of premies werknemersverzekeringen. Je mag de voorziening die je opneemt wel aftrekken van je belastbare winst.
  • Pas bij uitkering op de winstdelen betaal je belastingen en premies, maar dat is altijd een moment dat je voldoende cashflow hebt.
  • Gaat het bedrijf tussentijds failliet, dan is iedereen zijn inleg kwijt, maar als werknemer heb je intussen geen belasting afgedragen voor een dan waardeloos winstdeel.

Rekenvoorbeeld

Winstdelen regel je met een overeenkomst tussen het bedrijf en de werknemer. En ieder jaar bouw je meer winstdelen op. Een rekenvoorbeeld:

Jeroen komt in dienst bij Crowdviews BV. Hij zou normaal € 50.000 gaan verdienen maar neemt nu genoegen met € 30.000. De overige € 20.000 krijgt hij in de vorm van Winstdelen.

Marielle is de eigenaar van Crowdviews. Als Jeroen in dienst komt is het bedrijf circa 400.000 euro waard. Marielle kiest voor winstdelen van € 10 bij de start en krijgt zelf daardoor 40.000 winstdelen. Jeroen krijgt in het eerste jaar 2.000 winstdelen in ruil voor zijn lagere salaris en is daarmee 2.000/42.000e financieel eigenaar van het bedrijf, dus iets minder dan 5%

Intussen is de bedrijfswaardering gegroeid naar € 560.000 en de winstdeelkoers daarmee naar € 13,33. De € 20.000 die Jeroen in de vorm van winstdelen krijgt vertaalt zich dit jaar naar 1.500 winstdelen. Na het tweede jaar is hij 3.500/43.500e financieel eigenaar van het bedrijf, circa 8%, tenminste, als Marielle geen ander kapitaal heeft opgehaald of met andere medewerkers eenzelfde regeling heeft afgesproken. Omdat Jeroen geen formeel aandelen- of certicatenbelang heeft, is hij geen DGA en heeft hij geen last van het minimum DGA salaris van € 58.000. Als het deel van Jeroen doorgroeit, zou hij op termijn een echte aandeelhouder kunnen worden, inclusief zeggenschap. Dan moet hij wel afrekenen met de fiscus, want die ziet zijn winstdelen als loon.

Door deze regeling hoeft Marielle minder hard op zoek naar groeikapitaal, want Jeroen kost minder, en de kosten voor de voorziening die zij aanhoudt voor zijn uitkering mag ze van de fiscale winst aftrekken, waardoor ze nu minder vennootschapsbelasting betaalt.